dinsdag 11 juni 2013

I did it!

Maandag wordt de spanning me voor het eerst te veel. Ik zit bij mijn broer in de auto op weg naar Leiden Centraal, zodat ik de trein naar ‘mijn’ stadje Arnhem kan pakken. Ik ga mijn to do list nog eens af. Fiets inleveren, lampjes kopen, genoeg eten halen, drinken meenemen, wasjes draaien. Bij het nummer Whistle van Flo Rida krijg ik ineens tranen in mijn ogen. Nooit gedacht dat ik ooit nog eens op een nummer met lyrics als “Can you blow my whistle baby?” en “You just put your lips together and you come real close” zou moeten huilen, maar blijkbaar doet fietsen voor het goede doel gekke dingen met je.

In oktober heb ik ‘ja’ gezegd tegen mijn grootste uitdaging ooit: de Tour du ALS. Het één, twee of drie keer beklimmen van de Mont Ventoux om daarmee geld op te halen voor onderzoek naar de spierziekte. Ik mis uitdaging in mijn sport en het verhaal van Jan van Hemert, 43 jaar, vader van drie kinderen en ALS-patiënt, trekt me gelijk over de streep. Hij vertelt op mijn stage-adres over de lijdende ziekte en over zijn ervaring van het beklimmen van de Mont Ventoux. Hij heeft de eerste editie in 2012 meegemaakt en de berg zelf achterop de tandem beklommen. Als Jan het kan, kan ik het ook en dus schrijf ik in blokletters ‘JA’ op het deelnameformulier.

De laatste twee weken voor het evenement heb ik me vaak afgevraagd waarom ik in godsnaam heb toegezegd. Ik heb geen naasten met ALS, aan fietsen had ik vroeger een hekel en het vooruitzicht dat ik straks enorm veel pijn ga lijden, is ook niet bepaald prettig. Ik herinner me nog goed de woorden van Peter Zijerveld, talentcoach bij de Koninklijke Nederlandse Wielren Unie. “Oei, gaan jullie de Mont Ventoux fietsen? Ik weet niet of ik dat ooit nog een keer zou doen.” Later spreekt hij wel zijn zegen over ons uit, maar heel gerust stelt dit me niet meer. Zijn kuiten zijn immer drie keer zo groot en gespierd als die van mij.

De dinsdag voor vertrek fiets ik nog een kleine zestig kilometer door Arnhem en omstreken en koop ik de laatste dingetjes in de stad. ’s Avonds lever ik mijn fiets in op Papendal en rij ik de bekende route met de bus terug naar de stad. Papendal voelt nog steeds als mijn tweede thuis, ook al ben ik hier alweer bijna een half jaar weg. Het heeft iets magisch. Midden in de bossen worden sporters getraind, gevormd en klaargestoomd voor de top. Alles en iedereen ademt sport. Ik denk aan mijn tijd als stagiaire bij NOC*NSF en krijg weer tranen in mijn ogen. Ik ben een gezegend mens.

Ons team, Team Papendal, bestaat uiteindelijk uit 21 fietsers en drie vrijwilligers. In totaal gaan er vrijdag meer dan zeshonderd mensen de berg op. De Mont Ventoux kan je van drie kanten beklimmen: Bedoín, Malauscene en Sault, de “makkelijke” kant. Mijn uitdaging bestaat uit één keer Bedoín en één keer Sault omhoog, maar dinsdagavond lees ik op Facebook dat route in Sault is geschrapt. Even denk ik dat het een grapje is, maar dan komt het officiële bericht van de organisatie. Het nieuwe asfalt is mede door de warmte kapot gereden en dat kan vooral bij het dalen gevaarlijke situaties opleveren. Een verantwoorde beslissing van de organisatie, maar dat betekent wel dat de moeilijkheidsgraad van de uitdagingen een heel stuk omhoog gaat. Het gemiddelde stijgingspercentage van Sault is 4,5%, dat van Bedoín en Malauscene 7,5. En dat dan 21 kilometer lang. Ik heb zin om weer te huilen, maar dit keer van ellende.

Die avond slaap ik, ondanks het mentale tikje, prima en heb ik geen moeite met opstaan als mijn wekker om vijf uur gaat. De zenuwen zitten in mijn keel, maar mijn dagelijkse broodje pindakaas en kopje koffie krijg ik nog wel weg. Eenmaal op Papendal zakken mijn zenuwen. Ik heb lang genoeg getraind en het moet nu maar eens gebeuren. De reis loopt voorspoedig. Er wordt gelachen, er wordt gezongen en er wordt opvallend vaak nieuwsgierig de Fonds Gehandicaptensportbus ingekeken om vervolgens weer teleurgesteld weg te kijken. Soms zijn we even stil. Alleen met onze eigen gedachten. Henny en Christian wisselen één keer met rijden en Ester en ik mogen ontspannen op de achterbank. ’s Avonds rijden we over landweggetjes en zien we de berg in de verte. Hoe dichterbij we komen, hoe groter de berg wordt. Het ding is immens en het torentje op de top is vanaf beneden slechts van het formaat Madurodam. Waar ben ik aan begonnen?

Donderdagochtend fietsen we nog een klein trainingsritje van zeventig kilometer met een vlakke klim van twintig kilometer. De middag en avond staan vooral in het teken van pasta eten. Ik heb de hele week al pasta gegeten om zoveel koolhydraten op te slaan. De laatste maaltijd eet ik mede hierdoor met lange tanden. Ik heb zin in patat. Ik drink met Ester en vrijwilligers Tineke, Sjaak en Nathalie nog een theetje bij het WiFi-café en de succesberichten stromen binnen op mijn telefoon. Ook vragen veel mensen al of ik het gered heb. Nee jongens, ik fiets de Mont Ventoux voor ALS. Niet de Alpe d’Huez voor kanker.

Die nacht duurt het even voor ik in slaap val, maar uiteindelijk heb ik toch een prima nacht achter de rug als ik om kwart over vier wakker wordt van de klikkende schoentjes die de trap afstormen. De fietsers die de berg drie keer gaan beklimmen starten al om vijf uur en gaan ontbijten in een donkere en lege lobby. Nu gaat het echt beginnen, denk ik. Ik moet plassen, maar ik heb geen zin om op te staan en blijf met een drukkende blaas liggen. Ik ben klaarwakker en wacht tot de wekker gaat. Om vijf uur hoor ik de kerkklok vijf keer slaan en de eerste klimmers zijn nu vertrokken. Mijn onderbuik begint te kriebelen, maar dat kan ook komen omdat ik nog steeds erg nodig moet plassen. Om kwart over vijf gaat de wekker en ga ik eindelijk naar de wc.

De lobby is leeg als Ester en ik aankomen. Buiten wordt het al licht, maar het schemerlampje boven de receptie is geen overbodige luxe om de ruimte te verlichten. Op de tafel liggen aangebroken stukken stokbrood en er staan lege kommetjes waar kwark en muesli in heeft gezeten. Ik heb nog geen trek, maar weet dat ik de energie straks hard nodig heb, dus begin ik wederom met lange tanden aan een bak kwark met muesli. Na vijf minuten komen Anouk en Brenda ons vergezellen. Heidi en Kirstie zien we pas bij het fietsenhok. Die hebben in hun kamer kokhalzend een bordje koude pasta gegeten en bietensap gedronken. Samen fietsen we naar de start.

We fietsen de muziek tegemoet en als Love me more van Racoon wordt gedraaid, stromen de tranen langs mijn wangen. Het is een klein clubje dat om zeven uur start, maar dat maakt het niet minder speciaal. We tellen samen af van tien naar nul en nu gaat het echt gebeuren. We fietsen de rotonde over en gaan onder de poort door, waar mijn chip incheckt en ik later mijn tijd en beelden van mijn rit kan terug zien. De eerste drie kilometer gaan wel omhoog, maar slechts een procent of vier. Ik probeer een ritme te vinden en al snel passeren we het bord met Mont Ventoux – 18 km. Zo, dat gaat lekker. Ik begin zelfs te juichen als we vijftig meter een beetje dalen, maar al snel wordt mijn enthousiasme de kop ingedrukt. Na de eerstvolgende bocht gaat het gelijk negen procent omhoog en neemt mijn tempo af. Dit wordt een lange, lange rit.

Soms word ik ingehaald door renners, soms haal ik er zelf één in. Onze groep is dan al uit elkaar gevallen en het is ieder voor zich. Auto’s met supporters rijden ons voorbij en moedigen ons aan. De Vlaming van de BOOM-reepjes roept dat ik het goed doe. “Goed zo, meisje. Lekker je eigen tempo aanhouden.” Een paar meter verderop ligt er een briefje van tien euro op de weg. Normaal had ik die natuurlijk opgepakt, maar ik heb nu de energie niet om af te stappen en ik fiets er voorbij. Als ik het bord met Mont Ventoux – 14 km voorbij fiets, begin ik voor het eerst te godverren. Kilometerslang hebben de stukken een stijgingspercentage van negen á tien procent en het houdt maar niet op. De natuur is prachtig, maar genieten is lastig. Het brandende asfalt is afgrijselijk en het vooruitzicht, op zijn zachts gezegd, kut. Ik fiets niet meer alleen met mijn benen, maar met heel mijn lichaam. Ik schud en slinger en ik heb het gevoel dat mijn rug elk moment kan breken. Ik stop om wat te drinken en een reepje te eten. De zoete troep is niet te kanen, maar het moet, want hongerklop is het laatste wat ik wil.

Fietsers die me voorbij gaan, moedigen me lief aan. Ik weet niet meer precies wat ik terug zeg, maar volgens mij is het vaak iets in de trant van “godverdomme”, “kutberg” of “man, wat heb ik zin in bier en comazuipen”. Veel mensen moeten om me lachen, maar ik kan allang niet meer lachen en begin me soms zelfs te irriteren aan de mensen die me aanmoedigen. Flikker op, ik heb pijn. Laat me lekker zielig zijn.

Als ik nog zeven kilometer moet, kom ik eindelijk bij Plateau Reinard. Ik heb onderweg ontzettend verheugd op dit stuk, omdat iedereen van tevoren tegen me heeft gezegd dat het hier weer even vlak wordt. Yes, vijfhonderd meter even de druk van de benen, maar helaas het tegendeel is waar. Misschien is het een kleine tien meter vlak en ik krijg weer een mentale tik. Ik heb zin om mijn ouders die in Tunesië vakantie vieren te bellen en ik begin hard te huilen. Ik fiets door, omdat ik muziek hoor. Just say hello van René Froger. Ook dat nog!

Bij Plateau Reinard komen vier vrijwilligers naar me toe gesneld, omdat ik nog steeds aan het brullen ben. “Gaat het meissie? Heb je pijn? Moet je eten of drinken?” Ik word bestookt met vragen en het enige wat ik kan zeggen is: “Ik ben gewoon een emotionele kut. Ik heb ontzettend veel zin om mijn moeder te bellen en ik heb ook zin in bier.” En ook zij moeten lachen. Eén van de vrijwilligsters vult mijn bidon met water en een zoet poedertje en ik moet een gelletje opeten. Het lijkt wel stroop en ik mors op mijn shirt en in mijn lange vlecht. Ik baal dat ik de vorige dag geen gratis droogshampoo heb meegenomen vanaf het basecamp. Ik moet lachen om die gedachte en krijg van één van de vrijwilligers nog een laatste tip. “Het is nog maar zes kilometer. Sommige stukken zijn stijl, maar probeer om het in stukken te hakken. Je kan na deze bocht het torentje op de top zien liggen, maar blijf daar niet naar kijken, want dan is het nog een heel lang stuk.” Ik bedank hem voor de tip en stap weer op mijn fiets.

Na de bocht kijk ik alleen nog maar naar het torentje. Ik weet dat ik het niet moet doen, maar het gaat vanzelf. Ik word moedeloos van het idee dat ik nog zover omhoog moet. Ik passeer een Fransman met camera en hij begint in het Frans tegen me te ratelen. Ik versta er niks van en hij blijft maar ratelen. Ik vind een nieuw energieputje en schreeuw agressief dat ‘ie dat verdomde kaartje in mijn zak moet stoppen. Hij rent achter me aan en stopt het kaartje in mijn zak. “Au revoir,” roept hij me na. “Ja, auf wiedersehen,” zeg ik en ik realiseer me dat dat geen Frans is. Wat maakt het ook uit.

De laatste zes kilometer heb ik het het zwaarst. Ik houd mezelf voor dat ik een kilometer moet fietsen en daarna mag ik telkens even rusten. Soms houd ik me aan die afspraak, soms stap ik al eerder van mijn fiets. Ik ben blij als ik kan rusten bij teamleden van Team Jan die ook even stoppen. Ik ken ze niet en we zeggen ook niet veel, maar toch vind ik ze heel erg lief. De laatste kilometer heb ik echt geen zin meer, maar dan zie ik in de verte ineens Christel staan. Ze is onze topvrijwilligster en heeft van tevoren ontzettend veel geregeld. Ik begin spontaan weer te janken en dan herkent Christel me gelijk. Ze begint te roepen en te schreeuwen en dan hoor ik ook van boven al mijn teamgenoten. Jankend kom ik over de finish en ik krijg ik van iedereen knuffels. Ik krijg een telefoon in mijn handen gedrukt om mijn moeder te bellen, maar ik krijg twee keer haar voicemail. Later als ik weer enigszins gekalmeerd ben belt ze terug en hangen we samen huilend aan de telefoon. Ze zegt dat ze trots op me is en het niet erg is als ik de tweede keer niet haal. Daar ben ik blij om, want ik geloof niet dat ik dit nog een keer trek.

Ik ga met het shuttlebusje weer terug naar beneden. Ik heb niet genoeg vertrouwen om de berg helemaal af te dalen en dus kies ik liever het zekere voor het onzekere. Mijn leven is de afdaling niet waard. Eenmaal beneden zie ik Paula en vertel haar dat ik met haar mee naar boven ga. Ik pleeg nog een plasje, mijn enige van de dag, vul mijn bidons en dan tellen we wederom af. Vooraan staan de tandems met de ALS-patiënten die de berg ook gaan beklimmen. Harrie, de trainert en de kartrekker van team Papendal, rijdt met Marieke op de tandem. Ik heb diep en diep respect voor hem en ik hoop dat ik hem boven kan aanmoedigen.

Helaas loopt het anders. De eerste drie kilometer lopen mijn benen al helemaal vol en alles doet pijn. Ik kan aan niks anders meer denken dan aan de pijn en dat ik eigenlijk wil afstappen. Ik houd het nog zeven kilometer vol en dan ben ik er echt klaar mee. Tess die met me mee fietst spreekt me nog één keer streng toe dat ik niet mag afstappen, maar als ik zeg dat ik stop, hoort ze aan mijn stem dat ik er echt klaar mee ben. Ik draai om en begin met afdalen. Niet mijn sterkste punt, maar als ik op een snelheidsmeter in het dorp 65 km zie staan, word ik overspoeld met een trots. Gaat deze schijterd toch maar mooi 65 kilometer per uur.

Als ik weer beneden bij het startpunt ben, vraag ik aan de eerste vrijwilligster hoe ik weer met de shuttlebus naar boven komt. Ze zegt dat er geen busjes meer rijden en dat ik niet meer boven kan komen. Kak, daar baal ik van. Daar baal ik echt van, want ik had graag Harrie en Marieke over de streep zien komen. Evenals die bikkel van een Paula. Wat had ik met haar graag boven aan de top willen huilen. Het is niet anders. Ik ga naar het hotel om te douchen en in de lobby sukkel ik in slaap bij de halve finale tussen Rafael Nadal en Novak Djokovic op Roland Garros.

Rond half vijf ga ik moeizaam weer op mijn zadel zitten om naar de start te fietsen. Ik moedig iedereen aan die na de afdaling over de streep komt en ik juich extra hard als de ALS-patiënten gezamenlijk finishen. Wat een bikkels zijn dat! Langzaam druppelt ook mijn team binnen en ik hoor dat Paula de top heeft gehaald. Wat ik ben trots. Dan wordt het eindbedrag door de organisatie bekend gemaakt. Ruim 1,2 miljoen is er nu al opgehaald en er komt nog steeds meer bij. Wat een geld, maar wat is het ook hard nodig! Zeker nu ik de patiënten heb gezien die hier zijn gekomen om iedereen aan te moedigen. Het toekomstbeeld van een ALS’er is alles behalve fraai.

Als echt iedereen van ons team beneden is, komt het bier op tafel. Eindelijk mijn welverdiende biertje. 


Bij deze wil ik ook iedereen die mij de afgelopen maanden gesteund, gesponsord of ook maar enigszins lief is geweest, bedanken! Het was een prachtig avontuur, maar dat had ik niet alleen gekund. In het bijzonder wil ik de organisatie van Tour du ALS bedanken, want wat een ontzettend goed werk hebben zij afgeleverd. En natuurlijk wil ik ook heel team Papendal bedanken voor deze ontzettend mooie herinnering, want dit vergeet ik nooit, maar dan ook nooit meer! 

Wie weet 'tot volgend jaar'! 

dinsdag 7 mei 2013

Eindsprint


Toen ik vandaag boodschappen ging doen bij de Albert Heijn stond er in het gangpad een meisje met een groene collectebus. Slim van haar om in het gangpad te gaan staan, want iedereen moest langs de collectebus om boodschappen te kunnen doen. “Geeft u om leukemie?” vroeg ze. 
Slimme vraag ook. Niet dwingend of opdringerig, maar gewoon lief met een glimlachIedere voorbijganger trok zijn portemonnee, zelfs de studenten die met een tray Euroshopper bier de tent verlieten. En geloof mij, Euroshopper bier drink je alleen als je echt, echt, echt geen geld hebt.

Op de heenweg was het me gelukt om ongemerkt langs het meisje heen te glippen. De man met een casual colbertje en naar achter gekamde gelharen was al naar muntgeld aan het zoeken. Na het afrekenen van mijn boodschappen kon ik echter niet om het meisje heen. “Geeft u om leukemie?” vroeg ze aan me. Shit, dacht ik. Natuurlijk geef ik om leukemie, om mensen met leukemie, maar mijn portemonnee… 
“Sorry,” zei ik tegen het meisje met een steek van pijn en schuldgevoel in mijn hart. “Al mijn centjes gaan naar ALS.” Ik voelde me een egoïstische loser. Wie geeft er nou geen geld als iemand staat te collecteren voor zo’n verschrikkelijke ziekte. Ik voelde me schuldig, maar het meisje zei: “O, goed van je. Weinig mensen kennen die ziekte. Fijne dag nog!” 
Even stond ik met een mond vol tanden. Iedereen gaf geld, maar ze vond het prima dat ik mijn kleingeld in mijn portemonnee liet zitten? Ik glimlachte en stak mijn hand op. “Bedankt, veel succes nog hè. Doehoei!”

Het meisje met de collectebus snapte het. Je kan niet altijd, zeker niet als student, elk goed doel steunen. En dat is begrijpelijk. Elke ziekte is erg en gezond zijn is het fijnste wat er is. Op het moment dat ik deze blog typ, staan we als Team Papendal op 21.763,00 euro. Al een heleboel geld, maarrrrr, je voelt hem al aan komen, met nog precies één maand (vier weken en drie dagen) is het tijd voor een eindsprint. Want bij ons streefbedrag van 33.000 euro zijn we nog niet. 
Daarom lieve lezers, vraag ik jullie: “Geven jullie om ALS?”



zondag 14 april 2013

Ode aan Petertje

Na een zwaar, maar super leuk trainingskamp in de Ardennen met Team Papendal een kleine ode aan de trainer van dit weekend: Peter Zijerveld, talentencoach van de KNWU! 

Als ik toch die kuiten van Petertje had,
die blokken van beton,
dan denk ik dat ik Paris-Roubaix
met twee vingers in de neus won.
Een demarrage op de kasseien
en vervolgens de rit solo uitrijen.

Als ik toch die kuiten van Petertje had,
die blokken van beton,
dan denk ik dat ik met een glimlach
de Mont Ventoux op klimmen kon.
Zonder enige moeite of pijn,
dan was fietsen waarschijnlijk wél fijn!

Als ik toch die kuiten van Petertje had,
die blokken van beton,
dan denk ik dat ik elke dag
alleen nog maar fietsen kon.
De bergen omhoog en kilometers maken,
en klimmen, klimmen, klimmen tot we braken.

Helaas heb ik de kuiten van Petertje niet,
en gaat het iets minder gemakkelijk,
zoals je ziet.
Maar lief Team Papendal,
samen komen we die berg wel op,
en rijden we hand in hand naar de top!

dinsdag 9 april 2013

De spastische fietser


Yes, that’s me. Ik ben een enorm spastische fietser. Nu het lekker weer begint te worden, ben ik sinds een paar weken ein-de-lijk buiten aan het trainen. En dat is hilarisch, of nouja, ik ben vooral hilarisch. Het buiten zijn en trainen is heerlijk, maar ik moet eerlijk bekennen dat de relatie tussen mij en het hobbelige asfalt nog niet je-van-het is. Zo neem ik bochten met een maximale snelheid van vijf kilometer per uur, vermijd ik gaten in het wegdek met een grote boog en klik ik het liefst honderd meter voor een stoplicht, rotonde of kruispunt al uit mijn pedalen, omdat ik bang ben dat ik anders niet genoeg tijd heb.  Dat is onzin natuurlijk, want binnen een fractie van een seconde ben je uit je pedalen, maar ik houd er gewoon van om het zekere voor het onzekere te nemen.

De relatie tussen mij en mijn fiets wordt wel steeds beter. We gaan steeds vaker samen op pad en ook steeds langer. Waar ik in het begin nog kleine ritjes maakte en al wachtende van mijn fiets af viel. Erg gênant, maar wederom erg hilarisch, omdat het lekker druk was op de weg en auto’s toeterden en er een vrouwtje op me af kwam rennen met de vraag ‘Of het wel ging’. Mijn bulderlach was genoeg om haar te doen beseffen dat ik gewoon een loser ben die haar leven niet zo serieus neemt.
Nu maak ik ritjes van drie uur, blijf ik op mijn fiets zitten en verken ik zelfs de dorpen, weilanden en natuur rondom Arnhem. Ik ben zelfs door Hummelo en Otterlo gereden. Nu hoor ik al mijn Westerse vrienden denken: 'Huh, Hummelo en Otterlo? Waar ligt dat?' Goede vraag! Ik weet het zelf ook niet, maarrrr, ik ben er wel geweest.

Leuk al die ritjes door het boerenlandschap in het oosten van ons land, maar dit weekend komt de echte test. Het trainingskamp in de Ardennen. Drie dagen volle bak toeren en bergen pakken. En jullie mogen best weten dat ik zeven kleuren schijt. Inmiddels verklaar ik mezelf voor gek en vraag ik me af hoe ik in godsnaam ooit heb kunnen bedenken dat ik de Mont Ventoux wel eventjes twee keer op fiets.

Gelukkig bestaat ons team uit nog 22 andere gekken die dat ding ook op willen komen. De teamspirit groeit met de dag, net als het sponsorgeld. De wijnactie van Team Papendal gaat als een speer en volgend weekend staan we het hele weekend in de Rijnhal om spullen te verkopen voor ALS.

Dus, lieve vrienden uit Arnhem, kom op 20 en 21 april naar de Rijnhal en koop onze kraam leeg. En als je geen rommel wilt kopen of niet uit Arnhem komt, dan kan je altijd nog een lekkere Chardonnay bij ons bestellen voor de heerlijke lente- en zomerdagen die er aan komen.

En doe het, want samen trappen we ALS de wereld uit! 



maandag 11 maart 2013

Brief aan de zon

Ik weet nog goed, de eerste keer dat ik je zag. Je stralende glimlach maakte me blij. Je warmte gaf me tintelingen door heel mijn lijf. Je mooie gloed dreef me tot waanzin. Ik was op slag verliefd.

De maanden gingen voorbij. Ik hield van je. Ik hou nog steeds van je, maar je besloot me te verlaten.

Lang kwamen we elkaar niet meer tegen. Het was koud, kil en ik voelde me verlaten, maar ineens liet jij je afgelopen week weer even zien. Nog even mooi als altijd. Ik zat op de fiets en je volgde me de hele weg. Ik ging naar huis en toen ik de volgende ochtend wakker werd, was je weer verdwenen.

Kom bij me terug, alsjeblieft?
Ik mis je zon. Ik mis je.

woensdag 6 maart 2013

Mijn welgemeende excuses


Ik ben een slecht mens, ik weet het. Er is een hele maand voorbij gegaan zonder dat ik jullie ook maar met één klein simpel blogje op de hoogte heb gehouden van de vorderingen van Tour du ALS. Niet dat er geen inspiratie was. Integendeel, er waren prachtige verhalen en acties om over te schrijven, maar ik heb het laten afweten. Jongens, het spijt me. Mijn welgemeende excuses. Van nu af aan zal ik mijn leven beteren.

Ik zal jullie in een sneltreinvaart door de maand februari heen praten. Na een jaar op Papendal met ontzettend veel plezier te hebben stage gelopen, was het voor mij tijd om weer eens naar school te gaan. Daar zag ik eerlijk gezegd behoorlijk tegen op, want als sportliefhebber bestaat er geen mooiere plek op aarde dan Papendal. Gelukkig was de omschakeling naar treinreizen, springers, stroomstoringen, vertragingen, huiswerk, schoolbanken en half negen in Amsterdam zijn snel gemaakt. Alle gekheid op een stokje, school is best oké. De minor die ik doe, past verrassend goed bij me; Creatief schrijven, hoe kan het ook anders. Soms heb ik zelfs vrije tijd, iets wat ik afgelopen jaar niet echt heb gekend.

In februari hebben we ook de eerste echte Team Papendal-actie gehouden: De spinningmarathon. Echt een succes waar veel geld is opgehaald met dank aan Harrie en Henny. Veel mensen hebben geld gedoneerd en we hebben zelfs een paar grote sponsoren aangetrokken, waarvoor dank! Het team is in februari ook enorm gegroeid. Waar we begonnen met een man of vijftien, zijn we nu met zijn 23’en. Van ervaren rauwdouwers tot enthousiaste beginnende fietssukkeltjes, zoals ik.

Over mezelf als enthousiast beginnend fietssukkeltje gesproken… Februari was ook de maand dat ik mijn nieuwe liefde heb ontmoet, namelijk mijn oranje stalen ros. Een Trek. Kindermaatje natuurlijk, maar nu komt de zadelpen wel SU-PER-STOER een centimeter of twintig omhoog. Ziet er een stuk professioneler uit. Fietssukkeltje vs de Mont Ventoux: 1-0. Ik heb gisteren zelfs fietsschoenen gekocht. Een onmogelijke opgave met mijn kleine schattige kindervoetjes, maar het is gelukt!

En nu ga ik dus fietsen. Samen met de Fahrradmeister Henny Kroon maak ik vanmiddag mijn eerste meters. En ik ben zenuwachtig, niet te kort. Wat nou als ik niet op tijd uit mijn pedalen klik? Wat nou als ik val? Wat nou als ik Henny niet bij houd? Wat nou als ik een lekke band krijg? Hoe moet ik in godsnaam schakelen?
Mijn moeder opperde gisteren dat ik wel mijn bitje (zo’n ding dat hockeyers altijd in hebben) in moest doen. Ja, doei mam. Maar misschien is het niet eens zo’n gek idee. Net als een ingebouwde airbag in mijn stuur. Dat zou ik op zich ook geen overbodige luxe vinden.

Oké Romy, relax. Het komt wel goed. Blijf kalm en blijf nadenken. Adem in en… adem uit. En mocht ik het nou  niet overleven, ik hou van jullie jongens. Van jullie allemaal! 

Alle rommel verzamelen
Er komen trouwens weer wat acties aan, waaronder rommelmarkten. En daarvoor zijn wij op zoek naar 'rommel'. Dus, heb jij nog zolderzooi, kelderkunst of andere spullen die wij mogen hebben om te verkopen voor ALS, graag!
Heb je geen rommel, maar wil je wel graag doneren? Of allebei? Dat kan natuurlijk ook, via: http://deelnemers.tourduals.nl/member/romyvooijs/donaties/ 

maandag 21 januari 2013

Hart voor ALS


Soms kom je in je leven van die zeldzame mensen tegen. Mensen met het hart op de goede plek. De plek waar de liefde, doorzettingsvermogen en passie doorheen stroomt. Mensen die vooral aan anderen denken en zichzelf daar vaak bij vergeten. Eén van die zeldzame mensen is Harrie, Harrie ‘de trainert’ Cremers.

Harrie werkt bij NOC*NSF en heeft een enorme passie voor wielrennen. Zijn kantoortje hangt vol met foto’s en artikelen en in de werkplek hangen ingelijste wedstrijdtenues van bekende profs. Harrie kijkt soms een beetje nors, maar zodra hij begint te vertellen over wielrennen breekt de zon op zijn gezicht door. Datzelfde gebeurt hij als praat over Tour du ALS. Ik denk dat in elk gesprek dat hij voert Tour du ALS minstens één keer naar voren komt.

Overal heeft Harrie lijntjes en ingangetjes. Harrie regelt alles, maar vergeet af en toe aan zichzelf te denken. En daarvoor betaalde hij vorige week de tol. Zijn rug gaf er de brui aan en hij was eventjes aan bed gekluisterd. Maar zelfs dan kan hij het niet laten om nog wat onderdeeltjes voor iemands anders fiets te regelen en nog wat sponsoren binnen te halen. De weg is richting 7 juni is nog lang, maar ik weet allang dat je aan Harrie een goede hebt. Zijn hart zit op de goede plaats!

Net als bij Nathalie. Of nouja, ik ken haar als @Nathaliefste. Ze is promoter in hart en nieren van Stop ALS en organiseerde ‘ALS we hardstyle draaien’. Het hardstylefeest bracht maar liefst 3072 euro op. Een presentatietje hier, een praatje daar. Nathalie is nooit te beroerd om de verschrikkelijke ziekte die haar vader heeft onder de aandacht te brengen. Ook al ken ik Nathalie niet, mijn respect voor haar is ontzettend groot.

Ook het hart van team Papendal voor ALS groeit met de dag. Acties om geld in te zamelen zijn volop in ontwikkeling. Bingomiddagen, rommelmarkten, het verkopen van jam, olie, appelmoes, eieren… Je kan het zo gek niet verzinnen! En met Valentijn op komst hebben we zelfs een speciale actie! Voor slechts vijf euro hebben we prachtige steigerhouten harten die je met een speciale boodschap aan je (geheime) liefde kan geven. En als je schrijfskills iets minder zijn, wil ik je heel graag helpen bij het schrijven van een romantische boodschap. Dus koop een hart voor ALS, want een Valentijnsdag zonder geliefde wil niemand! Samen trappen we ALS de wereld uit! 



Heb jij een hart voor ALS? Bestel via: Romyvooijs@hotmail.com. De harten zijn tijdelijk uitverkocht, maar we gaan een nieuwe lading maken! Geef dus gewoon je bestelling door en dan komt het hart naar je toe!
Hoef je geen hart, maar wil je wel doneren? Dat kan natuurlijk ook via: http://deelnemers.tourduals.nl/team/26/donaties/