Maandag wordt de spanning me voor het eerst te veel. Ik
zit bij mijn broer in de auto op weg naar Leiden Centraal, zodat ik de trein
naar ‘mijn’ stadje Arnhem kan pakken. Ik ga mijn to do list nog eens af. Fiets
inleveren, lampjes kopen, genoeg eten halen, drinken meenemen, wasjes draaien.
Bij het nummer Whistle van Flo Rida krijg ik ineens tranen in mijn ogen. Nooit
gedacht dat ik ooit nog eens op een nummer met lyrics als “Can you blow my whistle baby?” en “You just put your lips together and you come real close” zou
moeten huilen, maar blijkbaar doet fietsen voor het goede doel gekke dingen met
je.
In oktober heb ik ‘ja’ gezegd tegen mijn grootste
uitdaging ooit: de Tour du ALS. Het één, twee of drie keer beklimmen van de
Mont Ventoux om daarmee geld op te halen voor onderzoek naar de spierziekte. Ik
mis uitdaging in mijn sport en het verhaal van Jan van Hemert, 43 jaar, vader
van drie kinderen en ALS-patiënt, trekt me gelijk over de streep. Hij vertelt
op mijn stage-adres over de lijdende ziekte en over zijn ervaring van het
beklimmen van de Mont Ventoux. Hij heeft de eerste editie in 2012 meegemaakt en
de berg zelf achterop de tandem beklommen. Als Jan het kan, kan ik het ook en
dus schrijf ik in blokletters ‘JA’ op het deelnameformulier.
De laatste twee weken voor het evenement heb ik me vaak
afgevraagd waarom ik in godsnaam heb toegezegd. Ik heb geen naasten met ALS,
aan fietsen had ik vroeger een hekel en het vooruitzicht dat ik straks enorm
veel pijn ga lijden, is ook niet bepaald prettig. Ik herinner me nog goed de
woorden van Peter Zijerveld, talentcoach bij de Koninklijke Nederlandse Wielren
Unie. “Oei, gaan jullie de Mont Ventoux
fietsen? Ik weet niet of ik dat ooit nog een keer zou doen.” Later spreekt
hij wel zijn zegen over ons uit, maar heel gerust stelt dit me niet meer. Zijn
kuiten zijn immer drie keer zo groot en gespierd als die van mij.
De dinsdag voor vertrek fiets ik nog een kleine zestig
kilometer door Arnhem en omstreken en koop ik de laatste dingetjes in de stad.
’s Avonds lever ik mijn fiets in op Papendal en rij ik de bekende route met de
bus terug naar de stad. Papendal voelt nog steeds als mijn tweede thuis, ook al
ben ik hier alweer bijna een half jaar weg. Het heeft iets magisch. Midden in
de bossen worden sporters getraind, gevormd en klaargestoomd voor de top. Alles
en iedereen ademt sport. Ik denk aan mijn tijd als stagiaire bij NOC*NSF en
krijg weer tranen in mijn ogen. Ik ben een gezegend mens.
Ons team, Team Papendal, bestaat uiteindelijk uit 21
fietsers en drie vrijwilligers. In totaal gaan er vrijdag meer dan zeshonderd
mensen de berg op. De Mont Ventoux kan je van drie kanten beklimmen: Bedoín,
Malauscene en Sault, de “makkelijke” kant. Mijn uitdaging bestaat uit één keer
Bedoín en één keer Sault omhoog, maar dinsdagavond lees ik op Facebook dat
route in Sault is geschrapt. Even denk ik dat het een grapje is, maar dan komt
het officiële bericht van de organisatie. Het nieuwe asfalt is mede door de
warmte kapot gereden en dat kan vooral bij het dalen gevaarlijke situaties
opleveren. Een verantwoorde beslissing van de organisatie, maar dat betekent
wel dat de moeilijkheidsgraad van de uitdagingen een heel stuk omhoog gaat. Het
gemiddelde stijgingspercentage van Sault is 4,5%, dat van Bedoín en Malauscene
7,5. En dat dan 21 kilometer lang. Ik heb zin om weer te huilen, maar dit keer
van ellende.
Die avond slaap ik, ondanks het mentale tikje, prima en
heb ik geen moeite met opstaan als mijn wekker om vijf uur gaat. De zenuwen
zitten in mijn keel, maar mijn dagelijkse broodje pindakaas en kopje koffie
krijg ik nog wel weg. Eenmaal op Papendal zakken mijn zenuwen. Ik heb lang
genoeg getraind en het moet nu maar eens gebeuren. De reis loopt voorspoedig.
Er wordt gelachen, er wordt gezongen en er wordt opvallend vaak nieuwsgierig de
Fonds Gehandicaptensportbus ingekeken om vervolgens weer teleurgesteld weg te
kijken. Soms zijn we even stil. Alleen met onze eigen gedachten. Henny en
Christian wisselen één keer met rijden en Ester en ik mogen ontspannen op de
achterbank. ’s Avonds rijden we over landweggetjes en zien we de berg in de
verte. Hoe dichterbij we komen, hoe groter de berg wordt. Het ding is immens en
het torentje op de top is vanaf beneden slechts van het formaat Madurodam. Waar
ben ik aan begonnen?
Donderdagochtend fietsen we nog een klein trainingsritje
van zeventig kilometer met een vlakke klim van twintig kilometer. De middag en
avond staan vooral in het teken van pasta eten. Ik heb de hele week al pasta
gegeten om zoveel koolhydraten op te slaan. De laatste maaltijd eet ik mede
hierdoor met lange tanden. Ik heb zin in patat. Ik drink met Ester en
vrijwilligers Tineke, Sjaak en Nathalie nog een theetje bij het WiFi-café en de
succesberichten stromen binnen op mijn telefoon. Ook vragen veel mensen al of
ik het gered heb. Nee jongens, ik fiets de Mont Ventoux voor ALS. Niet de Alpe
d’Huez voor kanker.
Die nacht duurt het even voor ik in slaap val, maar
uiteindelijk heb ik toch een prima nacht achter de rug als ik om kwart over
vier wakker wordt van de klikkende schoentjes die de trap afstormen. De
fietsers die de berg drie keer gaan beklimmen starten al om vijf uur en gaan
ontbijten in een donkere en lege lobby. Nu gaat het echt beginnen, denk ik. Ik
moet plassen, maar ik heb geen zin om op te staan en blijf met een drukkende
blaas liggen. Ik ben klaarwakker en wacht tot de wekker gaat. Om vijf uur hoor
ik de kerkklok vijf keer slaan en de eerste klimmers zijn nu vertrokken. Mijn
onderbuik begint te kriebelen, maar dat kan ook komen omdat ik nog steeds erg
nodig moet plassen. Om kwart over vijf gaat de wekker en ga ik eindelijk naar
de wc.
De lobby is leeg als Ester en ik aankomen. Buiten wordt
het al licht, maar het schemerlampje boven de receptie is geen overbodige luxe
om de ruimte te verlichten. Op de tafel liggen aangebroken stukken stokbrood en
er staan lege kommetjes waar kwark en muesli in heeft gezeten. Ik heb nog geen
trek, maar weet dat ik de energie straks hard nodig heb, dus begin ik wederom
met lange tanden aan een bak kwark met muesli. Na vijf minuten komen Anouk en
Brenda ons vergezellen. Heidi en Kirstie zien we pas bij het fietsenhok. Die
hebben in hun kamer kokhalzend een bordje koude pasta gegeten en bietensap
gedronken. Samen fietsen we naar de start.
We fietsen de muziek tegemoet en als Love me more van Racoon wordt gedraaid, stromen de tranen langs
mijn wangen. Het is een klein clubje dat om zeven uur start, maar dat maakt het
niet minder speciaal. We tellen samen af van tien naar nul en nu gaat het echt gebeuren.
We fietsen de rotonde over en gaan onder de poort door, waar mijn chip incheckt
en ik later mijn tijd en beelden van mijn rit kan terug zien. De eerste drie
kilometer gaan wel omhoog, maar slechts een procent of vier. Ik probeer een
ritme te vinden en al snel passeren we het bord met Mont Ventoux – 18 km. Zo,
dat gaat lekker. Ik begin zelfs te juichen als we vijftig meter een beetje
dalen, maar al snel wordt mijn enthousiasme de kop ingedrukt. Na de
eerstvolgende bocht gaat het gelijk negen procent omhoog en neemt mijn tempo
af. Dit wordt een lange, lange rit.
Soms word ik ingehaald door renners, soms haal ik er zelf
één in. Onze groep is dan al uit elkaar gevallen en het is ieder voor zich.
Auto’s met supporters rijden ons voorbij en moedigen ons aan. De Vlaming van de
BOOM-reepjes roept dat ik het goed doe. “Goed zo, meisje. Lekker je eigen tempo
aanhouden.” Een paar meter verderop ligt er een briefje van tien euro op de
weg. Normaal had ik die natuurlijk opgepakt, maar ik heb nu de energie niet om
af te stappen en ik fiets er voorbij. Als ik het bord met Mont Ventoux – 14 km
voorbij fiets, begin ik voor het eerst te godverren. Kilometerslang hebben de stukken
een stijgingspercentage van negen á tien procent en het houdt maar niet op. De
natuur is prachtig, maar genieten is lastig. Het brandende asfalt is
afgrijselijk en het vooruitzicht, op zijn zachts gezegd, kut. Ik fiets niet
meer alleen met mijn benen, maar met heel mijn lichaam. Ik schud en slinger en
ik heb het gevoel dat mijn rug elk moment kan breken. Ik stop om wat te drinken
en een reepje te eten. De zoete troep is niet te kanen, maar het moet, want
hongerklop is het laatste wat ik wil.
Fietsers die me voorbij gaan, moedigen me lief aan. Ik
weet niet meer precies wat ik terug zeg, maar volgens mij is het vaak iets in
de trant van “godverdomme”, “kutberg” of “man, wat heb ik zin in bier en
comazuipen”. Veel mensen moeten om me lachen, maar ik kan allang niet meer
lachen en begin me soms zelfs te irriteren aan de mensen die me aanmoedigen.
Flikker op, ik heb pijn. Laat me lekker zielig zijn.
Als ik nog zeven kilometer moet, kom ik eindelijk bij
Plateau Reinard. Ik heb onderweg ontzettend verheugd op dit stuk, omdat
iedereen van tevoren tegen me heeft gezegd dat het hier weer even vlak wordt.
Yes, vijfhonderd meter even de druk van de benen, maar helaas het tegendeel is
waar. Misschien is het een kleine tien meter vlak en ik krijg weer een mentale
tik. Ik heb zin om mijn ouders die in Tunesië vakantie vieren te bellen en ik
begin hard te huilen. Ik fiets door, omdat ik muziek hoor. Just say hello van
René Froger. Ook dat nog!
Bij Plateau Reinard komen vier vrijwilligers naar me toe
gesneld, omdat ik nog steeds aan het brullen ben. “Gaat het meissie? Heb je pijn? Moet je eten of drinken?” Ik word
bestookt met vragen en het enige wat ik kan zeggen is: “Ik ben gewoon een emotionele kut. Ik heb ontzettend veel zin om mijn
moeder te bellen en ik heb ook zin in bier.” En ook zij moeten lachen. Eén
van de vrijwilligsters vult mijn bidon met water en een zoet poedertje en ik
moet een gelletje opeten. Het lijkt wel stroop en ik mors op mijn shirt en in
mijn lange vlecht. Ik baal dat ik de vorige dag geen gratis droogshampoo heb
meegenomen vanaf het basecamp. Ik moet lachen om die gedachte en krijg van één
van de vrijwilligers nog een laatste tip. “Het
is nog maar zes kilometer. Sommige stukken zijn stijl, maar probeer om het in
stukken te hakken. Je kan na deze bocht het torentje op de top zien liggen,
maar blijf daar niet naar kijken, want dan is het nog een heel lang stuk.”
Ik bedank hem voor de tip en stap weer op mijn fiets.
Na de bocht kijk ik alleen nog maar naar het torentje. Ik
weet dat ik het niet moet doen, maar het gaat vanzelf. Ik word moedeloos van
het idee dat ik nog zover omhoog moet. Ik passeer een Fransman met camera en
hij begint in het Frans tegen me te ratelen. Ik versta er niks van en hij
blijft maar ratelen. Ik vind een nieuw energieputje en schreeuw agressief dat
‘ie dat verdomde kaartje in mijn zak moet stoppen. Hij rent achter me aan en
stopt het kaartje in mijn zak. “Au revoir,” roept hij me na. “Ja, auf
wiedersehen,” zeg ik en ik realiseer me dat dat geen Frans is. Wat maakt het
ook uit.
De laatste zes kilometer heb ik het het zwaarst. Ik houd mezelf
voor dat ik een kilometer moet fietsen en daarna mag ik telkens even rusten. Soms
houd ik me aan die afspraak, soms stap ik al eerder van mijn fiets. Ik ben blij
als ik kan rusten bij teamleden van Team Jan die ook even stoppen. Ik ken ze
niet en we zeggen ook niet veel, maar toch vind ik ze heel erg lief. De laatste
kilometer heb ik echt geen zin meer, maar dan zie ik in de verte ineens
Christel staan. Ze is onze topvrijwilligster en heeft van tevoren ontzettend
veel geregeld. Ik begin spontaan weer te janken en dan herkent Christel me
gelijk. Ze begint te roepen en te schreeuwen en dan hoor ik ook van boven al
mijn teamgenoten. Jankend kom ik over de finish en ik krijg ik van iedereen
knuffels. Ik krijg een telefoon in mijn handen gedrukt om mijn moeder te
bellen, maar ik krijg twee keer haar voicemail. Later als ik weer enigszins
gekalmeerd ben belt ze terug en hangen we samen huilend aan de telefoon. Ze
zegt dat ze trots op me is en het niet erg is als ik de tweede keer niet haal.
Daar ben ik blij om, want ik geloof niet dat ik dit nog een keer trek.
Ik ga met het shuttlebusje weer terug naar beneden. Ik
heb niet genoeg vertrouwen om de berg helemaal af te dalen en dus kies ik
liever het zekere voor het onzekere. Mijn leven is de afdaling niet waard.
Eenmaal beneden zie ik Paula en vertel haar dat ik met haar mee naar boven ga.
Ik pleeg nog een plasje, mijn enige van de dag, vul mijn bidons en dan tellen
we wederom af. Vooraan staan de tandems met de ALS-patiënten die de berg ook
gaan beklimmen. Harrie, de trainert en de kartrekker van team Papendal, rijdt
met Marieke op de tandem. Ik heb diep en diep respect voor hem en ik hoop dat
ik hem boven kan aanmoedigen.
Helaas loopt het anders. De eerste drie kilometer lopen
mijn benen al helemaal vol en alles doet pijn. Ik kan aan niks anders meer
denken dan aan de pijn en dat ik eigenlijk wil afstappen. Ik houd het nog zeven
kilometer vol en dan ben ik er echt klaar mee. Tess die met me mee fietst
spreekt me nog één keer streng toe dat ik niet mag afstappen, maar als ik zeg
dat ik stop, hoort ze aan mijn stem dat ik er echt klaar mee ben. Ik draai om
en begin met afdalen. Niet mijn sterkste punt, maar als ik op een
snelheidsmeter in het dorp 65 km zie staan, word ik overspoeld met een trots.
Gaat deze schijterd toch maar mooi 65 kilometer per uur.
Als ik weer beneden bij het startpunt ben, vraag ik aan
de eerste vrijwilligster hoe ik weer met de shuttlebus naar boven komt. Ze zegt
dat er geen busjes meer rijden en dat ik niet meer boven kan komen. Kak, daar
baal ik van. Daar baal ik echt van, want ik had graag Harrie en Marieke over de
streep zien komen. Evenals die bikkel van een Paula. Wat had ik met haar graag
boven aan de top willen huilen. Het is niet anders. Ik ga naar het hotel om te
douchen en in de lobby sukkel ik in slaap bij de halve finale tussen Rafael
Nadal en Novak Djokovic op Roland Garros.
Rond half vijf ga ik moeizaam weer op mijn zadel zitten
om naar de start te fietsen. Ik moedig iedereen aan die na de afdaling over de
streep komt en ik juich extra hard als de ALS-patiënten gezamenlijk finishen.
Wat een bikkels zijn dat! Langzaam druppelt ook mijn team binnen en ik hoor dat
Paula de top heeft gehaald. Wat ik ben trots. Dan wordt het eindbedrag door de
organisatie bekend gemaakt. Ruim 1,2 miljoen is er nu al opgehaald en er komt
nog steeds meer bij. Wat een geld, maar wat is het ook hard nodig! Zeker nu ik
de patiënten heb gezien die hier zijn gekomen om iedereen aan te moedigen. Het
toekomstbeeld van een ALS’er is alles behalve fraai.
Als echt iedereen van ons team beneden is, komt het bier
op tafel. Eindelijk mijn welverdiende biertje.
Bij deze wil ik ook iedereen die mij de afgelopen maanden gesteund, gesponsord of ook maar enigszins lief is geweest, bedanken! Het was een prachtig avontuur, maar dat had ik niet alleen gekund. In het bijzonder wil ik de organisatie van Tour du ALS bedanken, want wat een ontzettend goed werk hebben zij afgeleverd. En natuurlijk wil ik ook heel team Papendal bedanken voor deze ontzettend mooie herinnering, want dit vergeet ik nooit, maar dan ook nooit meer!
Wie weet 'tot volgend jaar'!

